31 aug LACHEN 1869
Lachen we doen het graag en ieder op zijn eigen wijze. Juist dat interesseerde me daarom ging ik er eens op letten. Er bestaan nogal wat soorten lachers en hun lach. Soms omdat iets werkelijk grappig is, soms uit beleefdheid en soms omdat degene die tegenover ons zit toevallig belangrijker is dan wijzelf. De schaterlach, waarbij de omgeving onmiddellijk weet dat er iets te lachen valt. De stille lacher, die alleen maar heen en weer schudt zonder enig geluid voort te brengen. De glimlacher, die eigenlijk niet lacht maar slechts de mondhoeken een paar millimeter optrekt. De giechelaar, die overal om kan giechel lachen. De lachsalvo’s van een groepje. De ingeblikte lach die onder een film wordt gemonteerd. En natuurlijk de meelacher: die heeft geen idee wat er gezegd is, maar als iedereen lacht, doet hij gezellig mee.
Bijzonder is ook de zenuwlach die tevoorschijn komt op momenten waarop je absoluut niet hoort te lachen. Bij een begrafenis bijvoorbeeld. Alles is stil, de voorganger spreekt indrukwekkende woorden en ineens begint iemand te glimlachen. Niet omdat de overledene zo grappig was, maar omdat de spanning te groot wordt. Het onderdrukken kost moeite, men gluurt naar de grond en maakt het daardoor alleen maar erger. En als degene naast je dat merkt, heb je helemaal een probleem. Voor je het weet zitten twee mensen op de derde rij te schudden van het lachen terwijl de rest zich afvraagt wat er in vredesnaam aan de hand is.
De gemaakte lach is ook zo’n fenomeen. Die herken je vooral aan de schouders die overdreven omhoog en -laag gaan na een uiting van slechte humor. Vaak gaat hierbij ook het hoofd achter over, de mond wagenwijd open. Menig maal volgt een stevige klap op de eigen knie. Vaak gaat de mond hierbij zo ver open dat je tijdens het lachen de huig, de kiezen en aangeslagen tong ziet. Feitelijk is dat de zogenaamde ‘lach naar boven’. De baas vertelt een grap die zelfs op een kinderfeestje niet zou scoren. “Hahahahaha!” Iedereen ligt dubbel. Schouders omhoog, handen op tafel, iemand roept zelfs: “Die is goed!”
Nee, die is niet goed. Hij is verschrikkelijk. Maar hij is de baas en dan ontstaat die lachend kontenkruip act. Dezelfde grap wordt vijf minuten later door de magazijnmedewerker verteld. Stilte. Iemand kijkt op zijn telefoon en een ander zegt: “Ja, die kennen we.”
Men lacht dus niet om de grap, maar om degene die hem vertelt. Het kan zomaar een promotie, salarisverhoging of een gunstig beoordeling opleveren. Lachen blijkt daarmee niet alleen een emotie, maar soms ook een carrièrestrategie. We zouden ook wat vaker mogen lachen om mensen die zichzelf heel belangrijk vinden. Om de politicus die zegt dat hij “de signalen uit de samenleving serieus neemt”, waarna er vervolgens helemaal niets gebeurt.
En dan is er nog de lach om jezelf. Misschien wel de belangrijkste. Want wie nooit om zijn eigen stommiteiten kan lachen, loopt het risico dat anderen het voor hem gaan doen. Hebben we eigenlijk nog wel genoeg te lachen? Volgens mij wel. We moeten alleen weer wat vaker echt lachen. Niet met een emoji, niet uit beleefdheid en zeker niet omdat de baas een slechte mop vertelt. Gewoon die ongecontroleerde lach waarbij je buik pijn doet, de tranen over je wangen lopen en je zelf ook niet meer weet waarom je eigenlijk zo hard lacht. Zo hard lachen dat je pijn gaat huilen. Dan zit je op correcte weg. Neem dat van mij aan. NONDEDJUU !!!
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.